Vreemdgaan is niet vreemd, maar onze natuur

Lange tijd dachten we dat de mens, onze diersoort, seks heeft puur voor reproductie. Om zoveel mogelijk kinderen te maken, dus. Maar: onze diersoort sekst te veel om het alleen voor kinderen te doen, zo blijkt ook uit onderzoek van de Amerikaanse wetenschapper.

En niet alleen onze diersoort. Net als de bonobo, de chimpansee en de dolfijn heeft de mens namelijk ook seks als de vrouw ongesteld is, als de vrouw zwanger is, als de vrouw door de overgang is geweest, als ze niet op haar vruchtbare dagen is, en bovendien ook met hetzelfde geslacht.

Wat – werpt Christopher Ryan op – hebben deze vier diersoorten gemeen: de mens, de chimpansee, de bonobo en de dolfijn? Inderdaad: het zijn hoogst sociale en zeer intelligente dieren. Seks, zegt Christopher Ryan, is voor hen (en voor ons dus) een sociaal bindmiddel. Kijk maar naar de bonobo, waar we voor 98 procent genetisch identitiek aan zijn: daar is nooit oorlog. Die seksen alleen maar.

monochrome photography of man and woman near tree
Photo by Hannah Nelson on Pexels.com

Bij de mens gaat dit terug naar de oertijd, toen wij nog in stammen woonden. We noemen dit ook wel jager-verzamelaartijdperk. In die stammen gingen overdag de mannen op dieren jagen en de vrouwen vruchten en noten verzamelen. ’s Avonds kwam iedereen terug in het kamp en werd alles gedeeld. Het vlees was hierbij net zo belangrijk als de noten en vruchten.

En, nog belangrijker: alles werd gedeeld met iedereen, ook met alle kinderen. Het maakte niet uit van wie de kinderen genetisch gezien waren. Biologisch ouderschap kende men niet en iedereen deed het met iedereen. Overigens ligt ook nu nog in de vrouwelijke natuur besloten dat zij, als ze op haar hoogst vruchtbare dagen is, op een partner met een zo tegengesteld mogelijk DNA valt, om zo de incest (in die stammentijd) nog enigszins te beperken.

“Zie daar, zo ontstond het monogame koppel! Zo’n beetje zoals we dat nu nog kennen.”

Toen, zo’n 10.000 jaar geleden, begon de landbouwfase. Het land waarop de stammen woonden, werd opgesplitst in kleinere stukken land. En op die velden ging men eigen dieren houden en eigen groenten verbouwen: het idee van eigendom kwam in ons systeem. Mensen wilden hun eigen eten alleen delen met de eigen kring, met de eigen kinderen.

Nu weet de vrouw altijd zeker wie haar eigen kinderen zijn, maar de man… Die kon dat niet zeker weten. Er moest dus een oplossing komen: de vrouw kreeg er een hekje omheen.

Zie daar, zo ontstond het monogame koppel! Zo’n beetje zoals we dat nu nog kennen. Een man kan her en der nog wel wat rotzooien, voor een vrouw is dat een stuk minder acceptabel. Nog steeds staat in acht landen ter wereld de doodstraf op overspel door vrouwen.

Maar als Ryan’s verhaal klopt, hoe kan het dan dat we – nu er anticonceptie en DNA-testen zijn – nog steeds met het monogame koppel zitten?

Mijn inschatting is dat het een cultureel ideaal is geworden. Het monogame koppel ontstond om economische redenen, maar kreeg onder het christendom een nieuwe betekenis. Het monogame huwelijk werd moreel hoogstaand, was de meest controleerbare vorm van samenleven en daarmee de best passende hoeksteen van een religieuze samenleving. Toen kwam de Romantiek: ‘Het is toch prachtig: twee mensen die elkaar allemaal grote gevoelens toedichten’. En inmiddels zitten we in de maakbare samenleving: als het ons niet lukt om elkaar te geven wat we ooit van een hele stam kregen, is dat ook nog eens onze eigen schuld.

De hamvraag: suggereert Christopher Ryan eigenlijk dat iedereen het nu weer met iedereen zou moeten doen? Hij wil voornamelijk aantonen dat we van nature promiscue zijn. Dat hoeft echter niet te betekenen dat we niet – uit idealen, overtuigingen of tijdsmanagement – voor monogamie kunnen kiezen. We zijn tenslotte van nature ook alleseters, maar kunnen evengoed kiezen vegetariër te worden. Alleen zal bacon voor de meeste mensen wel altijd lekker blijven ruiken…

Bron

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.