Prins Carnaval

Iets voor middernacht kwam het dak helemaal naar beneden op mijn hoofd en het stof hangt nog in mijn kleren, figuurlijk dan. Ik stond op het punt slapen te gaan toen ik me realiseerde dat mijn lieftallig vrouwtje nog niet thuis was. Ze was iets gaan drinken met wat vriendinnen. Haar telefoon gaf geen gehoor, wellicht amuseerde ze zich kostelijk. Blij voor haar.

Wat ik toen deed, had ik beter niet gedaan. Of misschien net toch wel. Ik ben er nog steeds niet helemaal uit. Het was niet ok, maar het bracht me uiteindelijk wel besef. Wat er me toe dreef, was wellicht dat onbehaaglijk gevoel van wantrouwen dat al enkele jaren de kop op stak in onze relatie. Het gemis aan oprechte liefde, het gevoel dat de zeepbel uit elkaar spatte aan zo’n tergend traag tempo dat het geheel eigenlijk niet eens zo absurd en fout klonk. Berusting en gewenning traden op en er was occasioneel eens seks. Slechte, passieloze, liefdeloze en lege seks, toegegeven maar wel seks. Ik blijf uiteindelijk een man, niet? Nu, een lang verhaal kort, ik checkte de locatie van mijn vrouw via een handige feature op onze gelinkte smartphones. Altijd handig als je elkaar of gewoon je smartphone kwijt bent. Nooit installeer ik allicht nog zo’n app.

Ik ontdekte dat ze bijna thuis was, slechts 500 meter van ons huis verwijderd. Maar zo bleef het ook de hele tijd, 500 meter van huis verwijderd, geen beweging. Ik ging kapot aan achterdocht, nam mijn sleutels en ging op stap. De reservesleutel van de wagen op zak. Eigenlijk wist ik heel goed wat ik kon verwachten en wat ik toen deed. 500 meter verder vond ik inderdaad onze wagen terug voor een huis, leeg. Geen spoor van mijn vrouwtje. Goedgelovig en naïef ben ik zeker maar noem me een halfzachte mongool en het plat van mijn hand vindt je kaak wel, wees gerust. Ik opende de wagen met de reservesleutel en parkeerde de wagen een eindje verderop, uit het zicht. Ik ging huiswaarts. Ik wist wat ik wist. Het deed pijn toen de zeepbel uiteindelijk stuk spatte, heel veel pijn. Ik ging slapen.

Nuja, slapen, dat lukte me niet echt. Woelen, dat wel. Enkele luttele uren later, ik wil me niet voorstellen hoe lekker dat feestje wel niet was, kwam ze thuis. Paniek. Ze kon niet binnen (sleutels lagen nog in de wagen). De kids en ik lagen te slapen, wist zij veel. De auto was gestolen. Aanbellen durfde ze niet, dus stond ze maar wat te roepen aan het open raam van onze slaapkamer. Ik negeerde haar. Blijkbaar kon ze mijn oudste zoon wekken die haar binnen liet. Ze kwam me wekken en deed me het verhaal hoe de wagen werd gestolen toen zij en haar vriendin nog iets aan het drinken waren in een cafeetje om de hoek. Vreemd, want dat cafeetje lag nog enkele kilometers verder dan de plek waar ik de wagen terug vond. Hoogst merkwaardig verhaal maar ik deed alsof mijn neus bloedde en trok mijn kleren aan. Toen ze me vroeg wat we gingen doen, zei ik dat we naar die plek gingen wandelen want misschien had ze het verkeerd gezien en stond de wagen er toch. Tenslotte moesten we toch de politie bellen indien de wagen echt was gestolen, niet?

De hele weg naar de wagen bleef ze maar verzinsels vertellen tot ik haar ermee confronteerde. Lijkbleek trok ze weg. Bedrog. Met prins Carnaval. Prins Carnaval Marginal, een gast zonder toekomst, een gast die ik nu nog steeds met plezier in elkaar zou timmeren. Terwijl ik hem eigenlijk dankbaar hoor te zijn. Dubbel. Ik denk dat daar en dan mijn relatie eindigde. Voor mij althans. Voor haar was de relatie reeds lang voorbij. Alleen had ze nooit de moed gehad of het lef gevonden om daar gevolg aan te geven.

We zijn allen slachtoffer én dader, vermoed ik. Ik ben zelf geen heilige maar die nacht voelde ik me net een tikkeltje meer slachtoffer dan dader.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.