Arme jongen… De redding is nabij…




Omdat we al eens mogen zagen. En omdat het artikel van Lieke Brood me aangezet heeft tot dit schrijven.

Geboren en getogen in Gent, in het jaar ’78. Wat een leuke jeugd hoorde te worden, werd op verschillende vlakken een nachtmerrie. Een opeenvolging van nachtmerries zelfs. Eentje voor de jonge kleuter, eentje voor de jonge scholier, eentje voor de jonge tiener, eentje voor de straffeloze jeugdcrimineel. Ieder facet zijn part, iedere persoonlijkheid zijn deel van de koek. Geen ontsnappen aan. Geen ontkomen. Of toch?

Geboren in een arbeidersgezin, papa mecanicien, papa mijn held, lieve papa. Sterke papa. Ik voel je welgemikte slagen nog. Ik houd niet meer zoveel van je als toen, ma bon, ik heb dus ooit wel van je gehouden. Eigenlijk doe jij er nu niet meer toe. Mama, liefste mama, we spreken elkaar nog wel eens op een feestje. Ik probeer mijn plicht te doen, jij die van jou. Je zorgt beter voor mijn kindjes dan je ooit voor mij deed. Ik moet je dankbaar zijn. Voor hen. Niet voor mij.

Broer, we leerden elkaar respecteren en ik vermoed dat we nooit eerder zo dicht bij elkaar stonden als de laatste jaren. Broer, je bent een held. Je maakte dappere keuzes. Ik respecteer je.

Waar te beginnen? Ik was een straatkind dat opgroeide in een achterbuurt in Gent (Brugse Poort), mama had toen nog werk. Papa werkte in een garage, mama verpleegde mensen in het ziekenhuis. Papa werd beticht van diefstal en verloor zijn werk, mama werd ziek en verloor ook haar werk. Heel getrouw aan de tijdslijn ben ik nu even niet maar Mama kreeg ergens kanker en papa vond ergens nieuw werk. Een paar keer na elkaar zelfs. De gekste jobs heeft hij gehad. Omgaan met geld konden ze geen van beiden. Halverwege de maand was het geld steeds weer op. Warm eten kregen wij zo ongeveer twee tot drie keer per week. We aten veel en vaak boterhammetjes met choco. Ik leerde cornedbeef smaken, gemengd in de puree, geen groentjes. Lekker. Een aanrader, probeer het gerust even. Een culinaire aanrader voor de kansarmen, en budgetvriendelijk ook. Wat wel cool was, we hadden altijd honden en mijn vader reed met de gekste wagens ooit (zoek het Barkas model maar even op). Alles wat mijn vader repareren kon. Tot hij het niet meer kon. Dan gingen we naar de schroothoop, excuseer garage, en kochten we een nieuw wrak.

Papa vond nieuw werk en ik moet zeggen dat hij plichtsgetrouw al die jaren in de fabriek heeft gewerkt. Dat is mogelijks het meest positieve dat ik over hem kan zeggen, hij vond altijd wel terug werk. Mama niet. Zij ging na haar operaties uiteindelijk officieel als invalide door het leven. Mama en papa waren samen niet gelukkig. Het gezin was op zijn best disfunctioneel te noemen en werd dan ook door onze omgeving zo bestempeld.

Ik werd naar een katholieke school gestuurd in een betere buurt als die van mij. Mijn papa voerde me soms met de Lada maar meestal ging ik te voet. Die wandelingen waren het leukste stuk van mijn dag toen. Ik had gedragsproblemen en daarbovenop een overdreven rechtvaardigheidsgevoel, ik voelde me om de haverklap geviseerd, en ik had een kort lontje, twee gebalde vuisten en geen humor. Ik zag psychiaters. ik werd uitgelachen om mijn kledij. Ja, ik vocht dan ook met alles en iedereen maar thuis was ik braaf. Op straat was ik stout. Op school was ik stout, heel stout. Maar ik had een geweldige directeur. Hij was streng en had geen schrik om eens een pedagogische tik of twee uit te delen maar hij was een geweldige directeur. Met twee leerkrachten heb ik geen fysiek ongemeen gehad in mijn zesjarige carrière daar.

Thuis was ik vaak braaf. Maar kennelijk nooit braaf genoeg. Mijn vader werkte plots in ploegen. Mijn beste weken waren die waarin hij de vroege shift had. Dan was hij thuis vroeg in de namiddag en dan was ik braaf. Mijn slechtste weken waren die waarin hij de late shift had. Dan hadden mijn moeder en ik de hele avond om elkaars leven te vergallen, met elkaar in de clinch te gaan, elkaar te verwensen, te beschimpen, te huilen, te vechten. Ik haalde het op den duur wel van mijn moeder maar moest het dan ’s avonds bekopen, zo rond een uur of elf. Je hoorde mijn vader’s voetstappen terwijl hij traag de twee trappen naar mijn kamer op wandelde. Wat daar dan gebeurde, was niet mooi en het was allerminst fijn.

Maar toen werd ik twaalf. Het leven kon beginnen. Ik mocht naar een nette school te Gent, aan het station. Ik beleefde de leukste tijden al was er niet zo gek veel veranderd. Ik droeg nog steeds dezelfde kledij. Alleen was ik de rebel geworden, de vechtersbaas die niet verlegen zat om een partijtje vechten op de speelplaats of op straat. Studeren was nergens goed voor. Ik verloor 2 jaar als scholier. Dat moet de synopsis zijn van mijn carrière in het ASO. Het saaie schoolse ging mij niet af. 3 Schorsingen en een kleine twintig strafstudies in één jaar tijd bracht de directie ertoe me te vragen het volgende schooljaar niet aan te vatten bij hen. Het waren nochtans toffe schorsingen in dat kantoortje van de broeder. Ik herinner me het drankkastje nog. En dat Pisang Ambon toen hip was. Maar goed, ik had vrijheid nodig. En vechtpartijen. Die kreeg ik beiden toen ik een handelsrichting aanvatte in één van de toen meest beruchte scholen in het Gentse. Drank kwam later. Studeren hoefde niet meer. Slagen ging als vanzelf. Ik vergleed in een leven van ongemakkelijk gemak en oncomfortabel welbehagen. Lak aan alles. Spijbelen tegen de sterren op, uren zien verglijden op café in plaats van achter de schoolbanken.

Mijn band met mijn vader? Ja, die was er nog. Ik keek nog steeds op naar mijn vader al heeft hij nooit meer dan één methode gekend om me iets aan het verstand te brengen. Praten was het niet. Godzijdank kan ik dat wel, met mijn jongens, praten en blijven praten. Dialoog zoeken. Mijn vader zocht geen dialoog. Dialoog kon je elders zoeken, tegenspraak werd niet geduld. Ik herinner me de klap in het gezicht nog als vijftienjarige in het bijzijn van één van mijn eerste vriendinnetjes. Op uitstap. De klap was lang niet zo hard als de schaamte die ik toen en jaren nadien voelde. Zelfs nu borrelt de woede terug op. En hoe vreemd dit misschien ook mag lijken, ik was wel trouw aan mijn ouders. Ik wist niet beter en we hadden vaak ruzie maar beledigingen aan het adres van mijn ouderlijk gezin, gingen altijd gepaard met gebekvecht of erger.

Vrienden? Ja, ik had vrienden. Het waren bijzonder foute vrienden. Eentje ervan zie ik nu nog geregeld. Toen ik Danny leerde kennen, huurden mijn ouders een huis dat mijn vader half gerenoveerd had (na de afbraakwerken hield dat op, ik kan me niet voorstellen wat de huisbaas moet gedacht hebben nadien). Ik heb daar net geen 20 jaar gewoond. Daar sliep ik onder het dak, op een matras op de grond. Enkel glas, geen isolatie. Geen meubels. Een gehavende en vieze kamer waar een eenzame tiener zich verschool van de realiteit. En bijzonder koud in de wintermaanden. Danny had medelijden met me, nam me onder zijn vleugels en gaf me iets dat leek op een menswaardig bestaan. Hij voorzag mijn kamer van een bed en meubels en leerde me dat hoe mijn ouders met mij omgingen niet ok was. Dat het niet ok was om niet te kuisen (mensen meden ons omwille van de rommel en de stank), dat het niet ok was om niet te zorgen voor je kids, niet ok om het vakantiesalaris van je zoon uit te geven aan prullaria die je niet nodig hebt, niet ok om je kind dom te houden en ervan te profiteren. Er was veel niet ok. Nog steeds ben ik Danny dankbaar. Het was toen een andere tijd.

Misschien onthullen we iets teveel, maar op een dag kwam ik thuis van school. Nuja, van school. Ik kwam eigenlijk recht van café en ik had er eentje teveel op. Ik werd getrakteerd op een discussie met mijn vader. Eentje die hij ging beslechten met geweld. Ik nodigde hem dankbaar en moedig (lees: halfdwaas en dronken) uit om me nogmaals te slaan. Wat hij ook deed. Ik werd razend en keilde hem over mijn rug tegen de muur, over de ijskast heen. Dat was de laatste keer dat mijn vader me aangeraakt heeft. De bedreigingen nadien van Danny aan mijn vader’s adres zullen ook geholpen hebben.

De tijd ging voorbij. En toen ontmoette ik haar. Ik was bijna achttien en ze moet iets in me gezien hebben. Ze kon mijn levensverhaal nauwelijks geloven. Voor haar was ik een te redden lam. Ze werd later dan ook mijn vrouw, de moeder van mijn kinderen. Ikzelf was niet ogenblikkelijk verliefd, ik had werkelijk geen affectie te geven, maar ik hield wel van het nette leven dat daar plots binnen handbereik viel. Zij kwam uit een veilig nest, een financieel gezond en sterk gezin. Mensen met de juiste waarden, zij incluis. Daarop werd ik verliefd. Uiteindelijk ook op haar. Ze leerde me praten, ze leerde me liefde geven, ze gaf me liefde. Ik spiegelde me aan haar, ik voelde me plots iets slimmer dan voorheen. Ze liet mijn eigenwaarde stijgen tot een voorheen ongezien niveau. Ik ging zelfs enkele keren de grens van arrogantie voorbij. Er zat meer in me, dat heeft ze me laten zien. Nog steeds heb ik het grootste respect voor haar, mijn ex, de moeder van mijn bloedjes. Maar we waren, in tegenstelling tot wat wij toen dachten, niet voor elkaar geboren.

En plots had ik daar voor de eerste keer in mijn leven iets te bewijzen want haar ouders hadden het niet zo hard op mij (en mijn afkomst) begrepen. Een bijna crimineel verleden als minderjarige achtervolgde me. Mijn vader’s woorden (wees gerust, ik ben gestopt met drinken) bleven lang hangen bij hen. Haar grootmoeder vertrouwde me niet. Veel keuzes had ik daarin niet. Godzijdank versterkte men op die manier gewoon ons rotsvast vertrouwen dat wij het samen halen konden. Ik had iets te bewijzen. Ik veranderde van studierichting, haalde een diploma op een manier die me vreemd was. Ik studeerde. Ik blokte. Ik versleet mijn broek op mijn bureaustoel. Van 3 naar 6 u wiskunde was een zware dobber, maar het lukte. Ik bouwde vertrouwen op. Ergens onderweg diende ik mijn kandidatuur in bij de Rijkswacht toen. Ik begon de selectieprocedure. Ergens werd dat mijn redding (haar grootvader was namelijk altijd rijkswachter geweest), die selectieprocedure werd gesmaakt door mijn schoonouders. Ik studeerde en had een doel voor ogen. Alles begon op wieltjes te lopen maar helaas werd ik in het laatste stadium afgekeurd als rijkswachter.

Welke opties had ik nog? Mijn neef, even oud als ik, was ondertussen beginnen werken in de fabriek. Mijn ouders verlangden van mij hetzelfde. Geen verdere studies. Meerderjarig en inwonend, 15000 BEF moest ik volgens hen betalen per maand. Ik was godzijdank veel volwassener geworden op die enkele jaren. De weg naar volwassenheid ging plots veel harder en sneller dan ooit tevoren. Ik heb beleefd geweigerd. Tot grote ontgoocheling voor mijn ouders, ik vermoed dat dat geld welkom had geweest zo op het einde van iedere maand.

Naar het OCMW dan maar. Een leefloon zoeken, alleen gaan wonen en studeren, een haalbare kaart? Wendy, de maatschappelijk assistente die me begeleidde, ging akkoord en deed haar uiterste best voor me. Ik kreeg een leefloon en geen steun van mijn ouders, ik trok mijn plan en ging naar de hogeschool. Eén kans is alles wat ik kreeg. Mijn droom om naar de universiteit te gaan, liet ik varen. Voetjes op de grond en zoeken naar die haalbare kaart. Hoger onderwijs dus, lerarenopleiding. Studeren. En hard ook. Wonder boven wonder haalde ik drie jaar op rij onderscheiding en heeft mijn huidige werknemer mij leren kennen op stage. Ik mocht daar na mijn studies onmiddellijk beginnen. Ik werk er nu 17 jaar en ik mag gewoonweg niet meer klagen.

Ergens heb ik gaandeweg zelf de kaarten opnieuw geschud en vandaag kan ik zeggen dat ik volgens mij toch de belangrijkste troefkaarten heb, namelijk mijn zelfbeeld, mijn eigenwaarde, mijn zelfvertrouwen en mijn immer positieve en opgewekte zelve. Veel meer valt er eigenlijk niet te vertellen zeker? Heeft een mens veel meer nodig? 😉

 

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.